Nieuws

Steenkolenitaliaans: een geschiedenis van offers en strijd

Steenkolenitaliaans: een geschiedenis van offers en strijd

In 2026 staat de Italiaanse immigratie in België maar liefst twee keer in de kijker: op 23 juni, precies tachtig jaar nadat het Italiaans-Belgische steenkoolakkoord werd beklonken, en op 8 augustus, wanneer we de zeventigste verjaardag van de mijnramp in het Bois du Cazier herdenken. Bij die ramp kwamen 262 mijnwerkers om het leven, onder wie 136 Italianen.

Twee herdenkingsdata die hetzelfde verhaal vertellen: dat van offers, arbeid, strijd, solidariteit en de waardigheid van arbeidsmigranten. Twee syndicalisten, beiden met een grondige kennis van de mijnbouwsector, en een Italiaans migrantenechtpaar getuigen.

De Italiaanse immigratie

“In tegenstelling tot wat veel mensen denken, begon de Italiaanse immigratie naar België niet met het steenkoolakkoord, maar gaat ze terug tot de eerste helft van de jaren 1920”, legt Paul Lootens uit. Als voormalig verantwoordelijke voor de mijnbouwsector bij de Algemene Centrale van het ABVV en auteur van verschillende boeken over mijnbouw en arbeidsmigratie kent hij het onderwerp door en door.

Vanaf 1922 valt Italië onder het fascistische bewind van Mussolini. Antifascisten en vakbondsmilitanten krijgen het hard te verduren en velen worden gedwongen het land te verlaten. Een deel van hen vindt een toevluchtsoord in België en gaat vervolgens aan de slag in de Waalse steenkoolmijnen.

De economie op gang brengen

Na de Tweede Wereldoorlog wil de regering de economie opnieuw op gang trekken. Steenkool is de enige energiebron die onmiddellijk beschikbaar is. Daarom lanceert premier Achille Van Acker zijn steenkoolplan, bedoeld om de grondstof op grote schaal te ontginnen.

Maar de Belgische arbeiders staan niet meteen te springen om dit gevaarlijke werk uit te voeren. Ondanks de voordelen waarmee de regering hen probeert te overtuigen en de sancties die weigeraars boven het hoofd hangen, voelen velen er weinig voor om diep onder de grond af te dalen.

Om het nijpende tekort aan arbeidskrachten op te vangen, stelt Fédéchar, de Federatie van Belgische Steenkoolverenigingen, voor om buitenlandse arbeiders aan te trekken. Daarop schuiven de Belgische en Italiaanse regeringen, met de werkgeversfederatie op de achtergrond, samen aan de onderhandelingstafel. “In werkelijkheid is het vooral Fédéchar dat de touwtjes in handen heeft”, voegt Paul Lootens toe. “Italië hoopt op zijn beurt af te raken van bepaalde ‘subversieve elementen’, onder wie veel vakbondsleden, socialisten en communisten. De Italiaanse Staatsveiligheid maakt van de gelegenheid gebruik om een eigen selectie door te voeren. Na de Tweede Wereldoorlog was Italië vooral een uitgeput land, met een hoge werkloosheid en veel armoede. Deze immigratiegolf is dus ook een gevolg van het Italiaanse fascisme.”

Mensen voor steenkool

Op 23 juni 1946 wordt het Italiaans-Belgische steenkoolakkoord ondertekend. Het akkoord hanteert een kille economische logica: in ruil voor Italiaanse werknemers verbindt België zich ertoe per mijnwerker dagelijks 200 kilogram steenkool aan Italië te leveren. Vijftigduizend werknemers komen naar België en worden over vijf mijnbekkens verdeeld: de Borinage, Luik, de Centrestreek, Charleroi en Limburg.

“Het is in de eerste plaats een economisch akkoord. Arbeidskrachten worden koopwaar, als het ware een product”, zegt Carlo Briscolini. Hij is sinds 1986 verantwoordelijk voor de mijnbouwsector bij de Algemene Centrale van het ABVV en is zelf zoon en kleinzoon van Italiaanse mijnwerkers. Volgens hem werd de tekst voorgesteld als een akkoord waarmee de wederopbouw van het land in gang werd gezet, maar verbergt hij vooral een schrijnende realiteit.

Het akkoord verankert het gebruik van goedkope en nauwelijks beschermde buitenlandse arbeidskrachten, die buitengewoon zwaar en gevaarlijk werk moeten uitvoeren, bovendien in veelal verouderde infrastructuur.

Paul Lootens pleit ervoor om het geïdealiseerde beeld van de Italiaanse immigratie te doorprikken. “Ze zijn niet als helden naar hier gekomen om België opnieuw op te bouwen. Ze kwamen omdat ze honger leden en omdat Italië van hen af wilde.”


“Ze zijn niet als helden naar hier gekomen om België opnieuw op te bouwen. Ze kwamen omdat ze honger leden en omdat Italië van hen af wilde.”

— Paul Lootens, voormalig verantwoordelijke mijnsector AC ABVV

Niet-ingeloste beloften

De arbeiders werden aanvankelijk gelokt met aantrekkelijke beloften, zoals een degelijk loon, sociale voordelen en huisvesting. Met die verwachtingen was de ontgoocheling bij aankomst des te groter. België kampte destijds met een ernstige woningcrisis, waardoor veel mijnwerkers werden ondergebracht in oude barakken die vroeger bestemd waren voor krijgsgevangenen. De uit zeildoek opgetrokken onderkomens waren verstikkend heet in de zomer en ijskoud in de winter, wat bijzonder ongezonde leefomstandigheden opleverde.

De Italiaanse mijnwerkers en hun gezinnen krijgen ook geregeld met racisme te maken. In sommige mijnstreken hangen aan de ingang van cafés bordjes met de boodschap: “Verboden voor honden en Italianen.” Ze worden ook geregeld uitgescholden voor “macaroni’s”. Carlo bewaart daar bittere jeugdherinneringen aan.

Daarnaast zijn de arbeids- en veiligheidsomstandigheden dramatisch. De mijnwerkers dalen zonder degelijke uitrusting af tot meer dan duizend meter onder de grond. Ongevallen zijn geen uitzondering en longaandoeningen zoals silicose eisen heel wat slachtoffers. Tussen 1945 en 1955 komen meer dan duizend mijnwerkers om het leven.

Gastone Lodolo trekt aan de alarmbel

De nieuwkomers krijgen ook zeer strenge maatschappelijke beperkingen opgelegd. Zo is elke politieke activiteit verboden en wordt vakbondsengagement actief belemmerd. “Bepaalde werknemersinitiatieven, met name in Charleroi, zorgen voor een gestaag groeiend bewustzijn van het belang om zich syndicaal te organiseren”, legt Paul Lootens uit.

Gastone Lodolo, vakbondsmilitant en voormalig lid van de Italiaanse Communistische Partij, wordt verantwoordelijke van de Eenheidsvakbond van Italianen. Tijdens een vakbondsbijeenkomst in oktober 1954 klaagt hij de arbeidsomstandigheden in de steenkoolmijnen aan: “Door mijn eigen werk in de mijnen en het nauwe contact met andere mijnwerkers heb ik kunnen vaststellen dat arbeiders in Marcinelle, net als in de rest van België, op grote schaal en op onmenselijke wijze worden uitgebuit. Zelfs de meest elementaire veiligheidsregels worden systematisch aan de laars gelapt.”

De autoriteiten nemen hem die woorden niet in dank af en bevelen hem het grondgebied te verlaten. Hij zou “schadelijk zijn voor de economie van het land”. Zijn waarschuwingen vallen dus in dovemansoren.

Tutti cadaveri

Woensdag 8 augustus 1956 begint als elke andere dag. Die ochtend dalen 275 mijnwerkers af in de steenkoolmijn van het Bois du Cazier. Maar dan loopt het mis. Door een miscommunicatie met de bovengrond breekt brand uit. Het vuur verspreidt zich razendsnel. Uiteindelijk kunnen slechts dertien van de 275 mijnwerkers worden gered.

Daarna volgen vijftien beklemmende dagen van wachten en zoeken, waarbij de hoop om nog overlevenden te vinden dag na dag slinkt. Op 23 augustus slagen de reddingswerkers erin een diepte van 1.035 meter te bereiken. Ze doen een huiveringwekkende vaststelling: “Tutti cadaveri.” Allemaal dood. De ramp maakt 262 dodelijke slachtoffers, 248 weduwen en 417 wezen.

Na de ramp in het Bois du Cazier schort Italië het steenkoolakkoord met België op. België richt zich vervolgens tot andere landen, waarmee het nieuwe akkoorden afsluit. “Maar dat wil niet zeggen dat er daarna geen Italiaanse arbeiders meer zijn aangekomen”, verduidelijkt Paul Lootens.


Van Calabrië naar de Belgische steenkoolmijnen

Dat geldt bijvoorbeeld voor Gaetano La Valle, die in december 1957 in België aankwam. “Ik ben op mijn twintigste naar België vertrokken. Er was geen werk in Italië, dus moest ik wel vertrekken om geld te verdienen”, vertelt hij aan de keukentafel, terwijl zijn echtgenote Rosetta aandachtig naar hem luistert. Tegen een van de muren staat een imposante boekenkast waarin tientallen mijngerelateerde voorwerpen zijn uitgestald: oude mijnlampen, roestige medailles, een portret, kleine beeldjes van mijnwerkers en religieuze voorwerpen.

Met een trotse blik vertelt Gaetano hoe hij in steenkoolmijn nummer 19 van Bas-Longs-Prés in Charleroi heeft gewerkt. Toen hij in België aankwam, wist hij niet eens van het bestaan van het Bois du Cazier. Zijn eerste afdaling in de mijn herinnert hij zich nog alsof het gisteren was. “Je daalt in één keer af. De benauwdheid slaat snel toe. Mijn werk bestond erin gaten te boren. Daarna plaatsten we dynamiet om de boel op te blazen. Gevaarlijk werk”, besluit Gaetano, terwijl hij de talrijke kleine littekens toont die zijn armen nog altijd tekenen.

In 1961 voegt Rosetta zich bij haar man. “We trouwden in augustus 1961 in Italië. Op 1 september kwam ik in België aan. Hij had hier blijkbaar niemand kunnen vinden die bij hem paste”, grapt ze. “We woonden in een mijnwerkerswijk, in een hechte gemeenschap van Italianen, Grieken, Algerijnen en Turken. De huur werd rechtstreeks van zijn loon afgehouden. Het huisje was heel klein en erg koud. We hadden alleen een klein kacheltje om ons te verwarmen.”

Ondanks de bijzonder zware werk- en leefomstandigheden is het echtpaar België nog altijd erg dankbaar. “In Italië hadden we vast en zeker een zwaarder leven gehad. Toch zal het altijd mijn thuisland blijven. Tegelijkertijd kan ik geen kwaad woord spreken over België”, glimlacht Rosetta.



Vakbondsstrijd

Na de ramp in het Bois du Cazier werden de gezondheid en veiligheid van de mijnwerkers eindelijk ernstig genomen. “Er kwam een algemeen bewustzijn op gang. De mijnadministratie werd eerst ter verantwoording geroepen, waarna er werk werd gemaakt van betere arbeidsomstandigheden”, legt Carlo Briscolini uit.

Maar de vakbondseisen beperkten zich niet tot veiligheid. De mijnwerkers bleven strijden voor het behoud van hun banen, betere arbeidsomstandigheden en meer rechten. Gaetano herinnert zich de grote staking van de winter van 1960-1961, die uitbrak na de aankondiging dat verschillende steenkoolmijnen zouden sluiten. Als lid van het ABVV vond hij zijn engagement vanzelfsprekend. “We waren socialisten”, zegt hij terwijl hij trots zijn vakbondsboekje uit die tijd toont.

De vakbondsstrijd leverde enkele belangrijke overwinningen op. In 1964 werd silicose erkend als beroepsziekte. Daardoor kregen slachtoffers onder bepaalde voorwaarden onder meer recht op vervroegd pensioen. Een andere belangrijke verwezenlijking was de fiscale vrijstelling van de blijvende vergoedingen voor werknemers die het slachtoffer waren geworden van een beroepsziekte of een arbeidsongeval.

De herinnering

Jarenlang hebben de Italiaanse gemeenschap, voormalige mijnwerkers en de vakbonden gestreden om de herinnering aan de ramp levend te houden. Na de definitieve sluiting van het Bois du Cazier in 1967 bleef de mijnsite jarenlang verwaarloosd achter. Gaetano en Rosetta vertellen dat er op een bepaald moment zelfs plannen waren om de site af te breken en er een supermarkt te bouwen. “Voor ons was dat ondenkbaar”, herinnert Rosetta zich. “Dus kwamen we meteen in actie.”

Samen met andere voormalige mijnwerkers en Italiaanse migranten hielp het echtpaar jarenlang bij het schoonmaken en beschermen van de site. Ze behoren tot de oprichters van de Amicale des Mineurs des Charbonnages de Wallonie, een vereniging die werd opgericht om de mijnsite als gedenkplek te beschermen. Hun strijd wierp vruchten af: vandaag is het Bois du Cazier een museum en staat de site op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Van de mijnwerkers die lid waren van de vereniging zijn er vandaag nog maar drie in leven.


“Het Bois du Cazier is een plaats die je dwingt stil te staan bij het verleden. De tragedie die zich hier heeft afgespeeld, is een rechtstreeks gevolg van een kapitalistisch systeem dat werknemers slechts als pasmunt beschouwt.”

— Carlo Briscolini, Verantwoordelijke mijnsector bij de AC ABVV

De erfenis verdedigen

“Het Bois du Cazier is een plaats die je dwingt stil te staan bij het verleden. De tragedie die zich hier heeft afgespeeld, is een rechtstreeks gevolg van een kapitalistisch systeem dat werknemers slechts als pasmunt beschouwt”, legt Carlo Briscolini uit.

Voor hem blijft veiligheid een bijzonder actueel thema, want ook vandaag zijn arbeidsongevallen nog schering en inslag. Hij trekt een parallel met de huidige precarisering van de arbeidsmarkt, waarbij uitzendarbeid, detachering en flexi-jobs vaak een groter risico op arbeidsongevallen met zich meebrengen. “We hebben niet alle lessen uit het verleden ter harte genomen. Preventie blijft het beste middel om ongevallen te voorkomen. Daar moeten we het meest in investeren. De werkgever draagt uiteindelijk een verpletterende verantwoordelijkheid tegenover zijn werknemers.”

Achter de herinnering aan de mijnramp en het steenkoolakkoord gaan verhalen schuil van ballingschap, armoede en uitbuiting, maar evenzeer van solidariteit en vakbondsstrijd. De rechten die werknemers vandaag genieten, hebben ze te danken aan de strijd die vrouwen en mannen van hier en van over de landsgrenzen heen hebben gevoerd. En zoals elke sociale verworvenheid moeten ook deze rechten blijvend worden verdedigd.


Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Lees ook x