Nieuws

Advocaat Englebert: “In een democratie is het recht om te demonstreren essentieel”

Advocaat Englebert: “In een democratie is het recht om te demonstreren essentieel”

Op 19 oktober jl. heeft het Hof van Beroep van Luik de veroordeling van 17 vakbondsleden van het ABVV wegens ‘kwaadwillige belemmering van het verkeer’ bevestigd. Zij kregen straffen variërend van 15 dagen tot een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en honderden euro’s aan boetes. Dit voor het simpele feit dat ze aanwezig waren bij een wegversperring op een stakingsdag. Gesprek met de heer Jacques Englebert, die samen met de heer Mercier het ABVV vertegenwoordigde in het Hof van Beroep. Hij spreekt met ons over de feiten en, meer in het algemeen, over het recht op manifestatie, dat momenteel wordt bedreigd.

Over welke feiten en procedures gaat het juist?

Op 19 oktober 2015 had het ABVV een algemene staking georganiseerd, die enkele weken van tevoren was aangekondigd, om het bezuinigingsbeleid van de toenmalige regering aan te vechten. Bij deze gelegenheid werden verschillende plaatselijke acties gepland. In Herstal was men van plan het winkelcentrum te blokkeren; al vroeg in de ochtend werden piketten opgesteld.

Omstreeks 5.30 uur vielen verschillende niet-geïdentificeerde personen de Cherattebrug binnen, die zich vlakbij het winkelcentrum van Herstal bevindt. Ze zetten provisorische wegversperringen op en staken die in brand. Met het oog op deze blokkade en de daaruit voortvloeiende verwarring hebben verschillende vakbondsfunctionarissen zich naar het terrein begeven om excessen te voorkomen en zo snel mogelijk over beëindiging van de actie te onderhandelen. Het werd duidelijk dat er gemaskerde personen waren, die geen banden hadden met de vakbond, en die geweld wilden gebruiken. Politieagenten in burgerkleding, aanwezig onder de demonstranten, gingen met de ABVV-leiders naar de brug.

In totaal waren 200 tot 300 mensen in de loop van de ochtend op de brug, waaronder de 17 die zijn veroordeeld. Maar geen van hen nam deel aan de aanvankelijke blokkade van het verkeer en geen van hen pleegde geweld of stookte het vuur op.

Het Waalse Gewest heeft een klacht tegen onbekenden ingediend wegens de aan de brug toegebrachte schade. Door sociale netwerken en door de media gefilmde beelden te analyseren, heeft de politie 17 personen geïdentificeerd die zijn vervolgd. Drie verschillende strafzaken werden geopend. Het ging onder meer om vrijwillige brandstichting en onvrijwillige doodslag na het overlijden van een vrouw van Deense afkomst wiens chirurg zou zijn geblokkeerd door de actie op de brug. De dossiers betreffende deze feiten zijn afgesloten met een buitenvervolgingstelling. De 17 werden enkel teruggestuurd naar de correctionele rechtbank voor het ‘blokkeren’ van het verkeer, gekwalificeerd als ‘kwaadwillige belemmering’ volgens artikel 406 van het Strafwetboek.

Waarom is de veroordeling van de 17 bevestigd in hoger beroep, vatbaar voor kritiek?

Er kunnen twee belangrijke punten van kritiek worden aangevoerd. Het eerste betreft de interpretatie die door de rechtbank en vervolgens door het Hof van Beroep aan artikel 406 is gegeven. De eerste rechter was van oordeel dat alleen het in artikel 406, lid 3, bedoelde strafbare feit was vastgesteld, dat eenieder bestraft die “… door enige andere handeling, kwaadwillig het verkeer dat gaande is op de spoorweg of op de weg, belet.” Dit is een overtreding. In hoger beroep was de rechtbank daarentegen van oordeel dat moest worden verwezen naar het in artikel 406, lid 1, strafbaar gestelde feit, dat een misdrijf is (en dus verondersteld wordt veel ernstiger te zijn). Dit misdrijf verschilt van de overtreding omdat het “…het verkeer met of het gebruik van vervoermiddelen gevaarlijk kan maken of die ongevallen kan veroorzaken bij het gebruik van of het verkeer met die vervoermiddelen.” Het hof van beroep was bovenal van oordeel dat er noodzakelijkerwijs een situatie van gevaar bestond als gevolg van de blokkering van de brug ook al hadden de 17 niet zelf aan deze blokkering deelgenomen, noch tijdens de blokkering enige gewelddadige handeling gepleegd. Door hun loutere aanwezigheid op de brug, terwijl zij wisten dat het verkeer geblokkeerd was, zouden zij, en ik citeer: “… zich vrijwillig bij de belemmering van het verkeer hebben aangesloten.”, hetgeen volgens het hof voldoende is om kwaadwilligheid vast te stellen.

Sterker nog, volgens het Hof van Beroep zou hun loutere aanwezigheid op de brug tot gevolg hebben gehad dat degenen die daadwerkelijk het initiatief hadden genomen om het verkeer te blokkeren, werden “aangemoedigd en gestimuleerd”, en zou het “stilzitten” van de 17 derhalve “een aanmoediging” zijn geweest om deze handelingen te verrichten, waardoor zij mede-veroorzakers of medeplichtigen zouden zijn geworden van deze strafbare feiten!

Het tweede punt van kritiek is dat het Hof niet echt rekening houdt met het aangevoerde argument van schending van artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Meer bepaald het argument dat een strafrechtelijke sanctie niet zou beantwoorden aan “een dringende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving”, aangezien de 17 de blokkade niet hebben veroorzaakt en geen gewelddaad hebben gepleegd. Door dit argument te verwerpen, verwart het Hof het vereiste van de “noodzakelijkheid” van de sanctie met het vereiste van de “wettigheid” ervan. Dit is, helaas, een veelgemaakte fout.

Waarom kregen de 17 een zwaardere straf dan in eerste aanleg?

De rechtbank is van oordeel dat de feiten “een strenge straf vereisen”. De verzwaring vloeit ook voort uit de hierboven uiteengezette wijziging van kwalificatie (het in gevaar brengen – een misdrijf – is objectief ernstiger dan het louter belemmeren van het verkeer – een vergrijp). De verzwaring blijft echter symbolisch en betreft uiteindelijk alleen boetes.

Anderzijds moet worden beklemtoond dat elk van de 17 beschuldigden, met een vastberadenheid en een moed die respect afdwingen, aan het einde van de pleidooien voor het Hof duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij een alternatieve straf weigeren.

Zowel de rechtbank als het tribunaal hebben bij de beoordeling van de straf geoordeeld dat de vakbondsfunctionarissen een grotere verantwoordelijkheid hebben dan de gewone leden. Zij kregen daarom hogere straffen.

Welke gevolgen kan deze veroordeling hebben voor de uitoefening van democratische rechten, zoals het recht om te demonstreren?

Dit is waarschijnlijk het grootste probleem, naast de beperkingen die reeds in artikel 406 van het wetboek van strafrecht zijn opgenomen.

Uit het arrest van het Hof van Beroep kan het volgende worden afgeleid. Alleen al door deel te nemen aan een manifestatie die tot gevolg zou hebben dat het verkeer wordt gehinderd – hetgeen uiteraard zeer algemeen het geval is – zonder enig initiatief te hebben genomen en zonder de geringste gewelddaad te hebben gepleegd, zou u zich schuldig maken aan kwaadwillige belemmering. Of zelfs het in gevaar brengen van weggebruikers. Maar dit kan bij elk evenement gebeuren. Niet alleen in het kader van een sociale beweging of een staking.

De afgelopen jaren hebben sociale conflicten steeds meer een juridisch karakter gekregen. Wat betekent dit vanuit jouw gezichtspunt?

Misschien kan men dit verklaren met een juridisering van de sociale betrekkingen. Dit is de laatste jaren te zien op alle gebieden van het maatschappelijk leven.

Maar ik denk toch dat sommigen hebben begrepen dat met de huidige wetgeving en jurisprudentie het inschakelen van de rechter een doeltreffende manier is om sociale bewegingen te ‘breken’. Of tenminste om te voorkomen dat ze enige invloed op de samenleving hebben.

U gaat het ABVV vertegenwoordigen voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat het daar beroep zal aantekenen. Waarom is dit belangrijk? Wat betekent het als de Belgische staat wordt veroordeeld?

In de eerste plaats gaan wij cassatieberoep instellen, in de hoop dat deze uitspraak zal worden vernietigd. Indien het Hof van Cassatie het beroep verwerpt, kan een beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden overwogen. In het bijzonder met betrekking tot de reeds genoemde kwestie van de controle op de noodzaak van (het gebruik van) strafrechtelijke sancties voor het onderdrukken van de daden die aan de 17 worden toegeschreven.

Dit is van essentieel belang, omdat het de contouren van het recht op manifesteren bepaalt. In een democratie is het recht om te demonstreren een essentieel recht. Een recht dat, zoals we kunnen zien, steeds meer wordt ondermijnd door gewelddadige en ongerechtvaardigde repressie. De dreiging met strafvervolging die aan dit geweld wordt toegevoegd en die zelfs degenen treft die slechts vreedzaam demonstreren, kan een afschrikkingseffect hebben… Dit is wat, indien nodig, aan het Europese Hof zal worden voorgelegd. Helaas zijn de termijnen voor dit hof erg lang.

Indien de Belgische Staat wordt veroordeeld, betekent dit dat de hoven en rechtbanken in de toekomst rekening zullen moeten houden met dit argument van de noodzakelijkheid van de sanctie. En niet langer strafrechtelijke sancties opleggen aan mensen die alleen maar vreedzaam hebben gedemonstreerd om hun eisen te verdedigen.

Mr Englebert

Facebooktwitter

Gerelateerde berichten

Lees ook x