Het jaar 2026 is nog jong en de eerste sneeuwvlokken zijn al gevallen. Maar sneeuw betekent ook kou, ijzel en soms moeilijke werkomstandigheden. Bij welke temperaturen kan er niet meer gewerkt worden? Welke maatregelen moet de werkgever nemen? Wat is de rol van het CPBW? Hoe zit het met vertragingen als gevolg van slecht weer? Een overzicht.
Koude verhoogt de risico’s voor de gezondheid en veiligheid van werknemers. Ongevallen als gevolg van lage temperaturen kunnen verschillende vormen aannemen. Onderkoeling, die rechtstreeks verband houdt met langdurige blootstelling aan koude, is daar een voorbeeld van. Maar een koude omgeving kan ook ongevallen in de hand werken, zoals uitglijden of vallen.
Te koud om te werken?
De temperatuur waarbij de kou hinderlijk wordt, hangt af van het soort werk dat wordt verricht, of het nu bureau- of (zwaar) handmatig werk is.
De drempelwaarden voor blootstelling aan kou worden bepaald op basis van de luchttemperatuur en de fysieke belasting van het werk. De metingen worden uitgevoerd met een gewone droge thermometer. Hoe zwaarder het werk, hoe lager de minimumtemperatuur.
| Fysieke belasting van het werk | Drempelwaarden voor blootstelling aan kou | In de praktijk |
| Zeer licht | 18 °C | Zittend of staand werk in rust. |
| Licht | 16 °C | Administratief werk, zittend met kleine apparaten, inspectie, lichte assemblage, autorijden, … |
| Gemiddeld | 14 °C | Ononderbroken werk met armen en handen (bijv. schroeven), besturen van tractoren, vrachtwagens, incidenteel hanteren van voorwerpen van gemiddeld gewicht… |
| Zwaar | 12 | Intensief werk met armen en romp, hanteren van zware bouwmaterialen, handmatig zagen, schaven, hanteren van karren en kruiwagens… |
| Zeer zwaar | 10°C | Zeer intensief en snel werk, intensief spitten, graven, ladders of trappen beklimmen… |
Wanneer ingrijpen?
Wanneer de minimumtemperatuur niet wordt bereikt, is de werkgever verplicht maatregelen te nemen. Deze kunnen onder meer bestaan uit het installeren van een verwarmingssysteem, het verstrekken van geschikte werkkleding en -uitrusting, het aanpassen van de werkorganisatie om de werkbelasting te verminderen, het beperken van de blootstellingstijd aan koude of het ter beschikking stellen van warme dranken. Telkens wanneer de preventieadviseur-arbeidsgeneeskundige dit nodig acht voor de gezondheid van de werknemers, moet de werkgever ook een rustperiode voorzien in een daarvoor bestemde ruimte.
Deze maatregelen moeten voortvloeien uit een risicoanalyse, die elke werkgever wettelijk verplicht is uit te voeren. De preventieadviseur en het CPBW (Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk) – of, bij gebrek daaraan, de vakbondsafvaardiging – moeten hierbij worden betrokken.
Werknemers die worden blootgesteld aan extreme kou of hitte moeten ook informatie en opleiding krijgen over deze risico’s.
Wat te doen bij buitenwerk?
Voor werkzaamheden in open ruimtes of op werkplekken in de open lucht moeten bedrijven tussen 1 november en 1 maart specifieke maatregelen nemen wanneer de omstandigheden dat vereisen of wanneer de temperatuur onder 5 °C daalt.
In het laatste geval is het bijvoorbeeld verboden voor exploitanten van detailhandelszaken om werknemers te laten werken aan toonbanken of verkoopstands die buiten en in de directe omgeving van de winkel zijn geplaatst. Bij een buitentemperatuur van minder dan 10 °C moeten werknemers die aan dergelijke toonbanken werken beschikken over een voldoende krachtige verwarming of verwarmde ruimtes waar zij zich regelmatig kunnen opwarmen.
Ten slotte mogen deze werknemers dit werk buiten niet vóór 8 uur of na 19 uur uitvoeren, niet langer dan 2 uur zonder een onderbreking van ten minste een uur, en niet langer dan 4 uur per dag.
Te laat of afwezig door slecht weer?
Wanneer de wegen glad of onbegaanbaar zijn, kan het moeilijk of zelfs onmogelijk zijn om naar het werk te gaan. In dat geval mag de werkgever geen sancties opleggen voor vertragingen of afwezigheden als gevolg van de weersomstandigheden, op voorwaarde dat “de werknemer alles in het werk heeft gesteld om op zijn werkplek te verschijnen”.
Om een vertraging of afwezigheid te rechtvaardigen, moet de werknemer aantonen dat hij of zij daadwerkelijk heeft geprobeerd om naar het werk te gaan, dat de oorzaak van de vertraging buiten zijn of haar wil ligt en dat hij of zij hierdoor werd verrast. Als aan deze voorwaarden is voldaan, is de werkgever verplicht om het volledige loon voor de betreffende dag uit te betalen.
Om onvoorziene omstandigheden te voorkomen, is het raadzaam om vooraf met de werkgever een algemeen beleid voor slechte weersomstandigheden vast te stellen. In sommige bedrijven kan telewerken een oplossing zijn, indien mogelijk.
Er bestaat ook de mogelijkheid om een beroep te doen op tijdelijke werkloosheid wegens slechte weersomstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een bouwplaats ontoegankelijk is door sneeuw of wanneer temperaturen onder het vriespunt bouwwerkzaamheden onmogelijk maken. In de bouwsector zijn voor dergelijke situaties overigens aanvullende vergoedingen voorzien.
Ten slotte kan ook tijdelijke werkloosheid wegens overmacht worden toegepast als het door weersomstandigheden onmogelijk is om het werk uit te voeren. Dit geldt bijvoorbeeld voor mobiele werknemers (zoals vertegenwoordigers, enz.) als het wegennet in de regio ontoegankelijk is, voor rijschoolinstructeurs of voor werknemers die niet kunnen werken omdat er geen grondstoffen worden geleverd omdat vrachtwagens hun bestemming niet kunnen bereiken.







